Eerste B2 Cursus |
|
Mijn vakanties of moet ik zeggen B2 cursussen, stonden dit jaar (1999) in het teken van het zeilvliegen ofwel hanggliding. Na dat ik vorig jaar mijn B1 brevet (voor beginners) had gehaald was het nu tijd voor het serieuzere werk. Tijdens de B1 cursus werd er gestart vanaf een heuveltje ± 40 meter van top tot voet met geleidelijke overgangen tussen vlak en helling. Maar nu was het hoogte verschil ± 800 meter tussen start en landing, waarbij je na de start niet meer kan spreken van een helling maar van een afgrond.
|
Kortom tijd voor mijn eerste hoogte vlucht. Zondag ochtend 4 juli was het zover. Na een inspectie van het landingsterrein en een briefing over te volgen aanvlieg route, ging de complete groep van 16 cursisten met even zoveel vleugels en onze instructeur de berg op. Eenmaal boven aangekomen toch eerst maar eens de startplaats bekijken, en checken of de sterke verhalen van de al wat verder gevorderde vliegers waar waren.
Nou het klopte! De startplaats bestond uit een houten vlonder, hier en daar wat verstevigd omdat het hout op die plaatsen al
was vergaan, die overging in een helling die een 'ramp' wordt genoemd en onder een hoek van 45 graden naar beneden liep. |
|
Een half uur later nadat we de vleugels hadden opgebouwd op het kleine grasveldje bij de startplaats was de zon ver genoeg gedraaid om de berghelling te verwarmen zodat er een lichte stijgwind ontstond op de start plaats. Op dit vroege tijdstip in de ochtend is de lucht nog rustig en dus geschikt voor de drie cursisten, waar ik ook toe behoorde, om hun eerste hoogte vlucht te maken. Als eerste ging een andere wat meer ervaren vlieger om een bevestiging te krijgen dat de lucht inderdaad rustig was. Ik was als laatste van de drie beginners aan de beurt. Nadat de instructeur mijn vleugel nogmaals had gecontroleerd, de radiocheck had gedaan en ik mijn 'hangcheck' had uitgevoerd, mocht ik naar de rand van de vlonder lopen met de vleugel op mijn schouders. De vleugel vlak houdend en met de juiste invalshoek was ik mij aan het concentreren op mijn start, en de rest om mij heen aan het afsluiten en dus ook niet aan het denken aan de afgrond na de 'ramp'. Na het teken van de instructeur dat ik mocht starten nam ik de eerst stap en rende naar beneden. Na vier of vijf passen tilde de vleugel mij van de 'ramp' af, nog wat verkrampt door de spanning vloog ik weg van de berghelling. Toen ik ver genoeg bij de berg weg was vertelde de instructeur via de radio dat ik mijn handen naar de 'bottombar' mocht verplaatsen en mijn benen in het harnas mocht stoppen. Wat een kik om zo vrij als een vogeltje door het luchtruim te vliegen, gedragen door een stuk 'dacron' zeildoek van 15,75 m2 met een spanwijdte van 9.5 m, wat aluminium buizen en staal draadjes met een gezamenlijk gewicht van maar 23 kilo. Om vanaf een hoogte van 600 à 700 meter neer te kijken op een dorpje is zo apart en tegelijkertijd zo vreemd dat het verslavend werkt. Vanaf dat moment ben ik verslaafd aan zeilvliegen. En dan te bedenken dat dit niet eens hoog is. |
Wanneer er termiek is en je de techniek beheerst om in zo'n termiekbel omhoog te komen kun je stijgen tot 3000 meter of meer! Kortom het echte werk, waar ik nog niet aan toe ben, en nog vele vluchten gaat duren voordat ik daar aan toe kom. Ondertussen vlieg ik alweer een minuut of vijf richting het landingsterrein waar ik de eerder gestarte vleugels zie staan maar nog steeds te ver zit om de landingsinstructeur en de andere cursisten te zien. Ik krijg via de radio te horen dat ik maar eens een paar bochtjes moet proberen. En maak vervolgens een 90 graden naar rechts en een 90 graden bocht naar links, vlieg een stukje rechtuit en maak een 360 graden cirkel die ik te ver doordraai, ik leg mijn vleugel te laat weer vlak. Daar moet ik in mijn volgende vluchten nog maar een paar keer op oefenen. |
|
Eenmaal boven de landingsplek aangekomen word ik naar de hoek verwezen waar ik mijn hoogte moet afbouwen voordat ik mijn landingsparcours kan inzetten. Aangezien ik zo'n 350 meter boven de grond zat had ik 6 á 7 cirkeltjes nodig voordat ik volgens de landingsinstructeur de goede hoogte had. Aangezien we een linkerhand circuit moesten vliegen vloog ik aan de rechterkant van het veld richting de tegen over gestelde hoek, wat ook wel het 'downwind been' wordt genoemd. Op de hoek een 90 graden bocht naar links het 'basis been', en nog voordat ik de volgende hoek bereikt had, was ik volgens de landingsinstructeur laag genoeg om mijn 'final' te maken en dus te landen. Gedurende het gehele circuit vertelde de landingsinstructeur wat ik moest doen, waar ik mijn benen uit mijn harnas moest halen en waar
|
ik op moet letten bij het maken van een landingscircuit. Na een bocht van meer dan 90 graden te hebben gemaakt om dus recht tegen de wind in uit te komen moest ik nog meer snelheid maken voor een goede landing. Pas dan merk je dat je gedurende de gehele vlucht maar rustig hebt gevlogen. De grond kwam snel dichterbij wat toch enige spanningen te weeg brengt, maar doordat je een hogere snelheid hebt en te maken krijgt met het 'grondeffect' ligt de landingsplek een stuk verder dan dat je denkt. Dichter bij de grond komend mag de snelheid langzaam verminderd worden, wat je bijna automatisch toch al doet, hierdoor vlieg je vlak boven de grond een heel stuk recht door zonder hoogte te verliezen. Wanneer je voldoende snelheid hebt verloren kun je langzaam en daarna explosief uitduwen en op je voeten landen zonder ook maar een stap te hoeven zetten, althans als je alles goed en op het juiste moment doet.
Maar dat lukte niet helemaal en ik kwam op mijn knieën in het gras terecht met nog een kleine snelheid waardoor ik voorover
op mijn buik terechtkwam. Dat moet de volgende keer toch anders, dacht ik terwijl ik opstond. Al met al een fantastische
ervaring en het maakt het gesjouw van de vleugel heuvel op tijdens de B1 cursus bijna goed. Johnny Baas. |